-
1 sick
adj. ziek; ziekelijk; misselijk; overgevend; ziek (i. betekenis van "er genoeg van hebbend"); verlangend; besmet (oogst)--------n. zieken (+the)sick1————————sick2♦voorbeelden:a sick mind • een ziekelijke geestII 〈 bijvoeglijk naamwoord, attributief〉2 wee ⇒ onpasselijk/misselijk makend♦voorbeelden:♦voorbeelden:〈 voornamelijk Brits-Engels〉 be sick • overgeven, brakenturn sick • misselijk worden/makenbe worried sick • doodongerust zijnyou make me sick! • je doet me walgen!I am sick at heart • ik ben diepbedroefdI am sick of the sight of it • ik word misselijk als ik het zie¶ sick to death of someone/something • iemand/iets spuugzat zijnsick with envy • groen van nijd -
2 you make me sick!
you make me sick!je doet me walgen! -
3 business
adj. zakelijk,van bedrijf--------n. zaken, handel; bedrijf, zaak; werk; aangelegenheid; beweging en uitdrukking bij opvoering[ biznis]1 aangelegenheid ⇒ affaire, zaak, kwestie3 zaak ⇒ winkel, bedrijf♦voorbeelden:1 (ver)plicht(ing) ⇒ taak, verantwoordelijkheid, werk♦voorbeelden:1 〈 informeel〉 my affairs are no business of yours/none of your business • mijn zaken gaan jou niets aango about one's business • met zijn gewone werk verder gaanhave no business to do something/doing something • ergens niet het recht toe hebbenknow one's business • zijn vak/zaken kennenI will make it my business to see that … • ik zal het op me nemen ervoor te zorgen dat …send someone about his business • iemand zeggen zich met zijn eigen zaken te bemoeien2 the business of today's meeting is … • voor de vergadering van vandaag staat op de agenda …♦voorbeelden:get down to business • ter zake komen, spijkers met koppen slaanmean business • het serieus menentalk business • over zaken sprekenhow's business today? • hoe staan de zaken vandaag?I'm in business for myself now • ik ben voor mezelf begonnengo into business • in de handel gaanon business • voor zaken -
4 go
n. Japans bordspel voor twee personen in ruiten verdeeld door 19 horizontale en 19 vertikale lijnen--------n. poging; enthousiasme; activiteit (spreektaal)--------v. lopen, gaan; gaan (rijden); aankomen; wordengo11 poging3 pit ⇒ fut, energie4 aanval♦voorbeelden:have a go doing something • iets proberen te doen2 at/in one go • in één klap, in één keerhave a go at • een aanval doen op; uitvallen tegen, van leer trekken tegen¶ be all the go • in de mode zijn, erg in trek zijnmake a go of it • er een succes van makenit 's all go • het is een drukte van je welste(up)on the go • in de weer, in volle actie(it 's) no go • het kan niet, het lukt nooit→ near near/————————go21 goed functionerend ⇒ in orde, klaar♦voorbeelden:————————go31 gaan ⇒ starten, vertrekken; beginnen, aanvatten, aanvangen2 gaan ⇒ voortgaan, lopen, reizen12 vooruitgaan ⇒ vorderen, opschieten18 verdwijnen ⇒ wijken, afgeschaft worden, afgevoerd worden23 beschikbaar/voorhanden zijn♦voorbeelden:go fetch! • zoek!, apporte! 〈 tegen hond〉go to find someone • iemand gaan zoekengo fishing • uit vissen gaanleave go of • loslaten, laten gaanlook where you are going! • kijk uit je doppen!〈 informeel〉 don't go saying that! • zeg dat nou toch niet!go shopping • gaan winkelenwho goes there? • wie daar? 〈 vraag naar wachtwoord〉go aside • opzij gaan, zich even terugtrekkengo near to do/doing something • iets bijna doengo on an errand • een boodschap (gaan) doengo on a journey • op reis gaango on the pill • aan de pil gaango on the stage • bij het toneel gaanready, steady, go! • klaar voor de start? af!2 go by air/car • met het vliegtuig/de auto reizengo for a walk • een wandeling maken1the forks go in the top drawer • de vorken horen in de bovenste la1where do you want this cupboard to go? • waar wil je deze kast hebben?3plus any cash that was going • plus wat voor geld er maar beschikbaar wasgo aboard • aan boord gaango abroad • naar het buitenland gaango straight • rechtop lopengo along that way • die weg nemen/volgengo from bad to worse • van kwaad tot erger vervallenthe difference goes deep • het verschil is erg grootgo in fear of one's life • voor zijn leven vrezenas things go • in vergelijking, in het algemeengo armed • gewapend zijnit will go hard with him • het zal erg moeilijk voor hem wordenhow are things going? • hoe gaat het ermee?how is work going? • hoe staat het met het werk?go slow • een langzaam-aan-actie houdenthe tune goes like this • het wijsje kt als volgt10 go well • goed aflopen, goed komen11 how did the exam go? • hoe ging het examen?go in someone's favour • in iemands voordeel uitvallenwhat he says goes • wat hij zegt, gebeurt ook12 how is the work going? • hoe vordert het (met het) werk?go unpunished • ongestraft wegkomengoing!, going!, gone! • eenmaal! andermaal! verkocht!16 go on • besteed worden/gespendeerd worden aanmy complaints went unnoticed • mijn klachten werden niet gehoordthe cook must go • de kok moet gaanhe paid as he went • hij betaalde directit only goes to show • zo zie je maargo (a-)begging • geen aftrek vinden, niet gewild zijnif these things are going begging I'll take them • als niemand (anders) ze wil, neem ik ze wel〈Brits-Engels; informeel〉 go and do something • iets gaan doen; zo maar even iets doen; zo dwaas zijn iets te doenlet oneself go • zich laten gaan, zich ontspannen; zich verwaarlozenanything goes • alles is toegestaanhe kept going like this • hij deed telkens zogo carefully • heel bedachtzaam/behoedzaam te werk gaango easy • het rustig(er) aan (gaan) doengo easy with • aardig/vriendelijk zijn tegen〈 informeel〉 here goes! • daar gaat ie (dan)!〈 informeel〉 here we go again • daar gaan we weer, daar heb je het weerthere it goes • weg, foetsie; kapotgo wrong • een fout maken, zich vergissen; fout/mis gaan, de mist in gaan; 〈 informeel〉stuk gaan, het begeven 〈 van apparaat〉; het verkeerde pad opgaan→ go about go about/, go across go across/, go after go after/, go against go against/, go ahead go ahead/, go along go along/, go around go around/, go at go at/, go away go away/, go back go back/, go beyond go beyond/, go by go by/, go down go down/, go far go far/, go for go for/, go forward go forward/, go in go in/, go into go into/, go off go off/, go on go on/, go out go out/, go over go over/, go round go round/, go through go through/, go to go to/, go together go together/, go under go under/, go up go up/, go with go with/, go without go without/II 〈 overgankelijk werkwoord〉♦voorbeelden:go the same way • dezelfde kant opgaango the shortest way • de kortste weg nemen¶ go it alone • iets/het helemaal alleen doengo it strong • er hard tegenaan gaan; overdrijven, het er dik op leggen♦voorbeelden:go absent • afwezig blijvengo bad • slecht worden, bedervengo blind • blind wordengo broke • al zijn geld kwijtrakengo cold • koud wordengo hot and cold • het (afwisselend) warm en koud krijgengo hungry • honger krijgengo ill/sick • ziek wordenthe milk went sour • de melk werd zuurgoing fifteen • bijna vijftien (jaar), naar de vijftien toe
См. также в других словарях:
make sick — make (you) sick to cause you to feel disgust. It makes me sick to think of how many people are destroying themselves with drugs … New idioms dictionary
sick|en — «SIHK uhn», intransitive verb. 1. to become sick: »to sicken with typhus. The bird sickened when kept in the cage. 2. a) to feel horror or nausea; experience revulsion (at something). b) to grow weary or tired (of a thing). c) to long eagerly. –v … Useful english dictionary
Sick leave — (or paid sick days or sick pay) is time off from work that workers can use during periods of temporary illness to stay home and address their health and safety needs without losing pay. Some workplaces offer paid sick time as a matter of… … Wikipedia
Make It wit Chu — Single by Queens of the Stone Age from the album Era Vulgaris Released … Wikipedia
Make Yourself Sick — Studio album by Boys Night Out Released September 23, 2003 … Wikipedia
Sick — Sick, a. [Compar. {Sicker}; superl. {Sickest}.] [OE. sek, sik, ill, AS. se[ o]c; akin to OS. siok, seoc, OFries. siak, D. ziek, G. siech, OHG. sioh, Icel. sj?kr, Sw. sjuk, Dan. syg, Goth. siuks ill, siukan to be ill.] 1. Affected with disease of… … The Collaborative International Dictionary of English
Sick bay — Sick Sick, a. [Compar. {Sicker}; superl. {Sickest}.] [OE. sek, sik, ill, AS. se[ o]c; akin to OS. siok, seoc, OFries. siak, D. ziek, G. siech, OHG. sioh, Icel. sj?kr, Sw. sjuk, Dan. syg, Goth. siuks ill, siukan to be ill.] 1. Affected with… … The Collaborative International Dictionary of English
Sick bed — Sick Sick, a. [Compar. {Sicker}; superl. {Sickest}.] [OE. sek, sik, ill, AS. se[ o]c; akin to OS. siok, seoc, OFries. siak, D. ziek, G. siech, OHG. sioh, Icel. sj?kr, Sw. sjuk, Dan. syg, Goth. siuks ill, siukan to be ill.] 1. Affected with… … The Collaborative International Dictionary of English
Sick berth — Sick Sick, a. [Compar. {Sicker}; superl. {Sickest}.] [OE. sek, sik, ill, AS. se[ o]c; akin to OS. siok, seoc, OFries. siak, D. ziek, G. siech, OHG. sioh, Icel. sj?kr, Sw. sjuk, Dan. syg, Goth. siuks ill, siukan to be ill.] 1. Affected with… … The Collaborative International Dictionary of English
Sick headache — Sick Sick, a. [Compar. {Sicker}; superl. {Sickest}.] [OE. sek, sik, ill, AS. se[ o]c; akin to OS. siok, seoc, OFries. siak, D. ziek, G. siech, OHG. sioh, Icel. sj?kr, Sw. sjuk, Dan. syg, Goth. siuks ill, siukan to be ill.] 1. Affected with… … The Collaborative International Dictionary of English
Sick list — Sick Sick, a. [Compar. {Sicker}; superl. {Sickest}.] [OE. sek, sik, ill, AS. se[ o]c; akin to OS. siok, seoc, OFries. siak, D. ziek, G. siech, OHG. sioh, Icel. sj?kr, Sw. sjuk, Dan. syg, Goth. siuks ill, siukan to be ill.] 1. Affected with… … The Collaborative International Dictionary of English